Boek: Ik ben een eiland – Tamsin Calidas

‘De zee bevrijdt alles wat vanbinnen zwijgt en vastgebonden is. In het snelstromende tij ben je daar allemaal vrij van. In de zee ben je eenvoudigweg adem. In de zee is er geen plaats voor angst.’

Er zijn te weinig boeken waarin ik volledig in het verhaal verdwijn. Gelukkig overkwam me dit vorige week en kan ik in een boek verdwijnen zoals Alice de holle boomstam in tuimelt. Deze keer beland ik op een klein eiland, onderdeel van de Schotse Hebriden. En waan me, tot ik het boek zuchtend dichtsla en nog ver daarna, de auteur en tevens de hoofdrolspeler. Het is een waargebeurd verhaal dat je de keel dichtsnoert af en toe, van woede, ontroering, ontreddering en medeleven. Maar ook vaak door de kou, die je bijna letterlijk doorheen de bladzijden voelt, zo waanzinnig echt beschrijft Tamsin Calidas de helse winterdagen.

Een verhaal vol metaforen en beschrijvingen van de ruige, rauwe, onstuimige natuur van het eiland met dito eilandbewoners. Ik was al honderd keer van het eiland af gezwommen desnoods, weg van het kwaad, van de bekrompen tegenpartij. Tamsin zet gewoon door en keert zichzelf binnenstebuiten tot het bloedt. Waarom toch, vroeg ik me keer op keer af. Waarom die kastijding, dat straffen van jezelf tot aan de bodem? Heel langzaam, zo naar het einde toe, ontvouwt het antwoord zich.

‘De wind staat voor mij symbool voor de ademtocht van verandering. Soms noopt de wereld ons te werk te gaan volgens haar principe van vernietiging en verandering. Om een ruimte leeg te maken, een sleur af te werpen of om simpelweg los te laten zodat een andere toekomst die leegte kan gaan aanvullen. Als je boven de chaos uit kunt stijgen, kan het mysterieuze stromen van de wind een bron van kracht en vernieuwing zijn.’

Houd je van beeldende beschrijvingen, poëtische zinnen, maar vooral van de natuur? Doorspekt van gedetailleerde sfeerbeelden rijgt Tamsin de zinnen tot een wonderbaarlijk en letterlijk tot stormen geteisterd leven waar de lezer een woest stuk in meereist. De gelaagdheid maakt het tot zo’n boek dat je er over na blijft denken tussen het lezen door.

Omdat ik nu middenin de natuur woon, zelfvoorzienend leef en elke dag ongelooflijk veel terugkrijg grijpt me dit boek nog meer aan, denk ik. Veel herkenning en toch is haar verhaal geenszins vergelijkbaar met het mijne. Maar overlapt een onderling verlangen. En een aantal praktische zaken, die nooit meer vanzelfsprekend zullen zijn, zo mooi verwoordt:
‘Ik hoop dat ik altijd die verbijsterende schok van dankbaarheid zal voelen wanneer water uit de kranen stroomt, of mijn blote vel dampend uit een bad verrijst.’ Dat.

‘Iedereen heeft zijn eigen remmingen, angsten of delen van het leven die moeilijk tegemoet te treden zijn. Om verder te komen is het belangrijk om erop af te gaan en ze onder ogen te zien. Elke uitdaging die je bent aangegaan, geeft je de toestemming opnieuw te beginnen. Transformatie is regenererend, verlossend en gaat gepaard met strijd. Om verandering te laten plaatsvinden of om een nieuw pad in te slaan moet je de scherpe rand van de pijn van alles wat je voor je kiezen krijgt langs je hart laten schampen.’

In bed met Fernando

Af en toe sjok ik met een volgepakte rugzak naar boven, waar één van mijn favoriete schrijfplekken ligt: Petit Plaisir, het onder bougainville bedolven theehuisje in het midden van Funchal, de hoofdstad van Madeira. 
Ik stal daar mijn laptop, schrijfboekjes, pennen, camera en telefoon uit op een sierlijk, wiebelend tafeltje. Midden in de geur van kruiden die ter plekke geplukt worden voor mijn potje ‘herbal tea’ neem ik plaats. Eerst genieten, dan werken. Alsof schrijven werken is.

Ik zit dan en luister. Het geroezemoes van de stad onder me, de stemmen vanuit het theehuis, geritsel, geruis en af en toe even stilte, heel kort. Een verlegen, warm briesje. Dit alles -in een met bougainville overdekte ambiance en de zon die mijn rug verwarmt- dringt nog steeds niet helemaal door. De perfectie van het moment probeer ik te vangen, vanuit volle niet vanzelfsprekendheid. Het is. 

Het roze-haar-meisje ontvangt mij oprecht enthousiast, alsof ik haar beste vriendin ben. Ze begint –al kletsend- de kruiden voor in mijn thee alvast te plukken. Alles danst aan haar. Zelfs haar stem.
Ik heb wat potloden en een liniaal op het tafeltje gelegd, deze kocht ik ooit in het Fernando Pessoa Museum in Lissabon. Als ze dit ziet, slaakt ze een gil. Ik kijk geschrokken om me heen, maar het gaat om Pessoa. Ja, dan vind ik een gil gerechtvaardigd en zeker op zijn plaats. We raken aan de praat over mijn favoriete Portugese dichter. Blijkt dat zij ook enorm fan is. En, we delen een geheim:

Ons beider verlangen is om een nacht in zijn bed te slapen (zijn kamer is onderdeel van het museum). Onder de dekens Pessoa worden. Weemoedig zijn en dronken worden van de Saudade. We zijn samen stil. Elk ons eigen beeld. 

Ik vraag haar een paar dingen voor me te vertalen. Google Translate is zo koud en kil. Dan krijg ik plaatsvervangende vertalingsvrees. De directheid zoals we die ook zo in Nederland kennen, ligt me niet meer. Een zachte vertaling is het minste dat ik voor Pessoa kan doen. 
Ze gaat er eens even goed voor zitten en op poëtische wijze zingt ze de vertaling. In het Engels. Ik huil bijna van sentiment, zo prachtig. Ja, als het over Pessoa gaat, dan ben ik een dweil en gauw op te vegen. Zijn woorden doorboren mijn ruggenmerg als een speer van dons en blijven me kietelen tot aan mijn tenen. 
Het begon toen ik ‘Het boek der rusteloosheid’ las. Bijna elk woord raakt me. Zijn onophoudelijke vragen naar de zin van het leven, van zijn bestaan. De bijna verstopte humor. Zijn eeuwige onzekerheid, de kwetsbare uitingen. Kortom: de weemoed dat in alle poriën doordringt bij het lezen. Me langzaam laat vervreemden van het dagelijkse leven en naar een andere dimensie voert: Pessoa’s wereld. 

Op het kartonnen kokertje, waar de potloden, een liniaal, een gummetje en een potloodslijper in zit, staat de eerste zin van een van zijn gedichten:
“Nem sempre sou igual no que digo e escrevo” – “Ik ben niet altijd hetzelfde in wat ik zeg of schrijf.”

“Nem sempre sou igual no que digo e escrevo.
Mudo, mas não mudo muito.
A cor das flores não é a mesma ao sol
De que quando uma nuvem passa 
Ou quando entra a noite 
E as flores são cor da sombra”


“Ik ben niet altijd hetzelfde in wat ik zeg en wat ik schrijf
Ik verander, maar ik verander niet veel
De kleur van de bloemen is niet hetzelfde onder de zon
Zoals het is wanneer een wolk passeert
Of wanneer de nacht aanbreekt
En de bloemen de kleur van de schaduw krijgen”

Het zal het hele Portugese wel zijn, alles. De cultuur, de melancholie, de allesomvattende warmte, de zon. Het land waar niets plat is, letterlijk en figuurlijk. Waar oprechte aandacht heerst, vertrouwen en respect. Tijd gegeven wordt. En genomen. 

“Ik weet niet hoeveel ‘Portugese zonneschijn’ deze brief bij u binnenbrengt, als er iets van vandaag in is gekropen, krijgt u zeker wat, want dit is een van die schitterende dagen – een lucht alsof er nooit wolken hebben bestaan, een smetteloos helder licht en een milde temperatuur, als in een kunstwerk van de Grieken.” – Fernando Pessoa

De zinnen van Pablo Neruda

‘maar kou of vuur, water of brood voor allen,

niets mag de mensen onderling verdelen

dan zon of nacht, dan maan of korenaar.’

Dit zijn de laatste regels uit het gedicht ‘Sonnet XLII’ van Pablo Neruda, de Chileense dichter. Niet voor niets kreeg hij de Nobelprijs voor de literatuur. Zinnen die mijn hart doen samenballen als een  vuist. Zo sterk, zo actueel. Dit gedicht uit de bundel ‘100 liefdessonnetten’ is geschreven aan het einde van de jaren 50 van de vorige eeuw. Zijn woorden, gepassioneerd gevlochten tot zinnen zijn tijdloze parels. Woorden van troost in stroeve periodes, druppels van geluk ter inspiratie. Over elke emotionele staat van zijn legt hij een deken. Warm, zacht, soms zwaar of schurend, waar nodig.

En wat doe je als groot Neruda liefhebber? Je gaat op zoek naar zijn roots. En zo geschiedde. Ik vertrok naar Chili.

Een regenboog van energie

Laat mij hier blijven, ik zou ter plekke kunnen sterven van geluk. Deze gedachten gingen door mij heen toen ik op het terras van één van de huizen van de dichter stond. Gebouwd op een woeste rotspartij in een baai van de ansichtkaartstad Valparaiso. Grillig in de heuvels aan de kust van Chili. Schots en scheefstaande huizen. Elk met een andere, vrolijke kleur. Knijp je je ogen een beetje dicht, dan zie je een regenboogslinger aan de horizon.

Dappere huizen, want ze zijn al vele malen slachtoffer geworden van een aardbeving. De bevolking is vergroeid met dit gegeven, maar ook met hun huizen en hun plek. En daarom blijven de Chilenen hier, hun thuis. Is hun huis als een rozenblaadje weggeblazen door een beving, dan verzamelen de inwoners zich. Binnen een paar dagen herrijst een nieuw huis met een uitbundige kleur. Deze onvoorwaardelijke krachtbundeling moet Pablo Neruda gevoeld hebben toen hij hier kwam wonen. Wat een energie.

Ik kijk uit over de zee die zich laaft aan het avondrood. De koperkleur legt een mysterieuze laag over het uitzicht. Nooit was mijn leven surrealistischer dan dit moment. Blijf, eeuwig moment. Volgezogen koester ik mijn zintuigen tot in de allerkleinste haarvaten. 

Zinderende zinnen

Het huis waar ik voor sta, La Sebastiane, is door Neruda zelf ontworpen en ingericht. Een bonte mengeling van stapels boeken, wijnflessen en dromerige vergezichten door de enorme ramen. Geen wonder dat hier zinderende zinnen ontstaan. De inspiratie kruipt via al deze ramen en openslaande deuren sijpelend onder je huid. Nestelt zich vervolgens in je linker hersenhelft, waar de alchemie zachtjes begint te pruttelen. En zo de betovering uit de pen wordt geperst.

Matilda – de muze

Veel boeken zijn er geschreven over het krasse leven van Pablo Neruda. Alle facetten van zijn turbulente leven beschreef hij in zijn geliefde poëzie. De dichter was een stormvloed van emoties. Hij zette deze om in woorden, om hier vervolgens zinnen van te spinnen. Zijn hele leven was hij op zoek naar passie en liefde in alle opzichten. De rode draad hierin was zijn muze Matilda Urrutia, die tot haar dood bij hem bleef ondanks de andere vrouwen die hij naast haar had. Maar haar had hij lief. Vele van zijn gedichten zijn opgedragen aan Matilda:

‘mijn liefste, ik zou niet van je houden!

Door jou te omhelzen, omhels ik het bestaan,

het zand, de tijd, de boom van de regen

en alles leeft om mij te laten leven:

zonder ver weg te gaan kan ik alles zien:

ik zie in jou leven al wat leeft.                       (uit sonnet 8)

Hij had haast om alles uit het leven te halen, want tegen de strijd der tijd kon hij het nimmer winnen. Zijn leven was turbulent. In vele werelddelen woonde hij. Streed tegen de Chileense dictatuur. Moest vluchten uit zijn geliefde land. Aan zijn gedichten kan je lezen hoe het met hem ging. Daarbij spaarde hij zichzelf niet. Maar in alles overwon de liefde, zijn muze, zijn houvast, zijn Chileense rots.

De gedichten van Pablo Neruda vind je op Google. De prachtigste gedichtenbundels zijn er in de mooiste boekvormen. Snuif er één op. Zelfs op You Tube worden ze voorgedragen. Misschien ga jij het ook voelen. De passionele, overweldigende woordenvloed die jouw bloed zo maar laat stollen. Jouw innerlijke leven verrijkt. Zoals het mijne.

PS extra tip: de prachtige Italiaanse film Il Postino uit 1994 laat je nog meer meeslepen in de Neruda-melancholie…

Boek: Dialoog met de natuur

Eerlijk: ik was nogal sceptisch over Irene van Lippe-Biesterveld. Het enige dat ik wist was dat ze fervent bomenknuffelaar was. Niets is minder waar. Onwetendheid doet oordelen. 

Op Madeira kreeg ik het boek. De titel sprak me erg aan, vooral omdat ik dezelfde dag een week in een huisje in de bergen zou vertoeven met alleen maar natuur. Je zou het synchroniciteit kunnen noemen, dit boek op precies het goede moment cadeau krijgen. Synchroniciteit komt in mijn leven steeds vaker voor en uit zich in niet-materialistische cadeaus als diepgaande gesprekken met zielsverwanten, onbekende paradijselijke plekken en de prachtig uitgedoste dame die gisteren op mij afkwam.
Ik zat op een terras en vanzelfsprekend aten de musjes met me mee, ze zaten op de rand van mijn bord en op tafel. Alles delen. De dame keek me met grote blauwe ogen, omringd door inktzwarte wimpers, aan en zei: “You must have a very happy life and it’s going to be much, much better, feeding the birds like this. Thank you for being you.”

Dit boek heeft mij verrijkt. In bewustzijn, in gewaar worden. In antwoorden die ik kreeg op vragen die ik niet met mijn verstand kon formuleren. Ik kon ze alleen maar voelen. Op elke bladzijde staan wijsheden en richtingaanwijzers. Voor als je meer de natuur wilt laten spreken en minder je denken, je verstand. Dit boek laat zien wat er gebeurt als je je openstelt voor de liefde van de niet-dualistische wereld van het leven om je heen, voor de eenheid. Een onvoorwaardelijke liefde die voor het grijpen ligt om gegeven en ontvangen te worden. 

Een paar citaten uit het boek

‘Niets aan de hand’ is veiliger dan het verdriet, de gekwetstheid te laten zien. En het te voelen, daar heb je al helemaal geen zin in. De pijn is immers al lang voorbij, zo meen je. Met onze gesloten deurtjes wordt onze uiterlijke verschijning belangrijker dan ons innerlijk leven, dat we maar ten dele voelen.”

‘Tijd vraagt het. Tijd. De natuurelementen hebben tijdloos geduld, ze staan klaar voor de open dialoog. Niet alleen onze woon- en leefwijze staan ertussen, ook onze angsten en onzekerheden. Onze schijnzekerheden. Die los te laten is werkelijk heel moeilijk. Je hart openen voor de onvoorwaardelijke liefde van de natuurlijke wereld roept vaak ook weerstand op, want je hebt niet voor niets je hart gesloten in de loop van je leven. ‘

Omdat de natuur niet in woorden praat, vraagt die je om met je gevoel te communiceren. 

“De aarde is prachtig en ieder mens is uniek en zeer de moeite waard.’ Irene vraagt zich af waarom wij ons toch voortdurend bewapenen, verdedigen en beschermen. “Haal dat masker, die pantsers weg en je ziet het mooiste dat er bestaat, de kwetsbare mens, het kind in de mens, de echtheid. Waarom verbergen wij onze echtheid? Waarom verbergen wij het oorspronkelijke? Waar schamen wij ons toch zo voor? Waar zijn wij toch zo bang voor? Stel dat alle bloemen maskers zouden dragen? De innerlijke macht van ons menszijn staat op het spel. Laat je niet in de klem van de angst zetten. Het is fantastisch om te leven. Het gaat om jouw vrijheid en om de vrijheid van ieder mens.”

Een paar maanden geleden was er een aflevering van ‘De Verwondering’ met Irene. Ook dit raakte me, haar woorden, haar onverwoestbare liefde voor de natuur. Je kunt de aflevering hier zien.

Bijna een kruis in plaats van een huis…

“Ik rijd geen meter verder.” We staan op een richeltje en ik kijk de afgrond in. Twintig minuten tuffen we al als een slinger in de kerstboom naar boven op de smalste weg ooit. Het lijkt drie uur. Het regent, plassen ontstaan en de weg raakt glibberig. Af en toe verliest ons campertje zijn grip en neigen we richting ravijn. Geen reling te bekennen. Ken je dat programma De gevaarlijkste wegen ter wereld? Voilá! 

Ik vond het eerst allemaal hilarisch. Dat vergaat al gauw. Alle ramen van de camper zijn beslagen door Pieters angstzweet, alsof we door een dichte mist rijden. Stop daar zijn hoogtevrees bij en je snapt de spanning. Ik voel zijn doodsangst na een kwartier nota bene in mijn eigen bilnaad. “Waarom heb ik precies van alle vrouwen een avonturier als vriendin?” Hij briest en kijkt me boos aan.

Het witte Pandaatje voor ons stuitert vrolijk over het onbegaanbare pad. Het is de makelaar. Ze heeft het al duizend keer gereden, dat is duidelijk. Ik zie het speelgoedautootje bij elke bocht zuchten, het wacht geduldig tot wij de bocht om zijn gekropen. 
Het is onze eerste bezichtiging in Portugal. Vlak bij Monchique dat boven in de Algarve ligt, in het binnenland. Een prachtig berggebied met huisjes die ooit door een reus als dobbelstenen over het land zijn gestrooid. Er staat een te koop in een dorpje van zeven huizen. Hopelijk komen we daar ooit aan. We weten nu al dat dit hem niet gaat worden, maar ik wil perse kijken. 
Mijn hoofd tolt van de adrenaline, maar toch ook van de waarachtige schoonheid van deze vallei waar de Eucalyptusbomen het scepter zwaaien in alle zintuig-opzichten. Ik draai het raam open en snuif de geur in waarbij ik onmiddellijk in Madeira ben. Een heimweescheut naar thuis.

Er stond nergens in de beschrijving dat je eerst een paar kilometer langs afgronden moet, het huis wel erg afgezonderd ligt en dat van het hele dorp er maar één huis bewoond wordt door een stokoud kattenvrouwtje. De overige huizen liggen in verval. 
Dat horen we pas bij aankomst, nadat we uit de camper vallen en eerst tien minuten moeten bijkomen. De opgewekte makelaar babbelt ondertussen honderduit, een mengeling van Engels en Portugees, we verstaan alles dankzij onze Spaanse kennis. Een labrador komt op ons af, hij grijnst zijn tanden bloot en gaat op mijn voeten op zijn rug liggen: aai mij! Hij blijkt van het kattenvrouwtje waar de naam ineens niet meer zo van op gaat. 

‘De bewoners zijn toevallig thuis,’ zegt Isolabella. Deze naam zingt je toch direct de zon, zee en ijshoorntjes in? 
Ze stapt kordaat het huisje binnen en begint een partij Portugees te oreren. We wachten op de veranda waar een buitenkeukentje lonkt, Portugese tegeltjes pronken en een tafeltje uitnodigt. Niks ervan, we kunnen naar binnen, wenkt de makelaar.
Het is pikdonker en bloedheet binnen. Ik moet eerst even mijn ogen laten wennen, gelukkig geeft de houtkachel in de hoek wat licht. We vallen direct de woonkamer in die bomvol staat met meubels, potten, pannen. Dit loopt gewoon door op de muren, tot aan het plafond. 

Op de uitgezakte bank zitten twee geesten zo op het eerste gezicht. Catweazle en zijn broer! Ze hijsen zich kreunend uit de bank, wrijven wat over hun verkreukelde kleding en blijven onhandig staan. Zoveel personen in zo’n klein kamertje geeft dat liftgevoel waarbij je uit wanhoop maar naar het plafond staart. Ik geef ze uit onhandigheid een hand, ze schrikken zich kapot maar vermannen en lachen hun drie tanden bloot. 
Isolabella duwt ze zacht de deur uit, waar ze op de veranda wat drentelen. Ik krijg ineens het vermoeden dat de mannen bij de koop in zitten.

We staan midden in een filmscène. De Catweazles waren net aan het eten, hun borden staan op het piepkleine tafeltje. Er drijven vette bellen rondom een stuk afgekloven zwijn. Hier in de regio is het summum van genot de Porco Preto: zwart varken. Naast de borden liggen knoerten kaas en een brok zwoerd. Ik blijf maar staren en voel me een vegetarische sok dat niet past in dit decor. Ik ruk me los en Isolabella roept dat we overal mogen kijken, alsof het een kasteel met 19 kamers is in plaats van een boerenschuur van 40m2. 
We wurmen ons langs een gordijn (dat is de deur) en staan in een van de slaapkamers. Nisjes vol heiligbeelden, een bebloed kruis aan de muur, maar een keurig opgemaakt bedje. Hier steken de voeten sowieso ver uit bij het slapen. 
Aan de andere kant van het woonkamertje is net zo’n slaapkamer, identiek. We kruipen richting badkamertje, waar de douchecabine een soort koker blijkt en de uit elkaar vallende kledingkast bij gebrek aan ruimte hier maar is neergezet. Je moet geen last van claustrofobie hebben, mocht je hier willen settelen. 

Oh, en er is een groot stuk grond bij. De frisse lucht buiten geeft me de broodnodige zuurstof na bijna een kooldioxide vergiftiging. De grond ligt aan de overkant van de weg. Ooit was hier niets, vertelt Isolabella, maar toen besloot de gemeente dat hier een weg moest komen. Dus werd deze gewoon dwars over de grond voor het huis langs aangelegd. Recht van overpad, zeg maar.
Pieter probeert uit alle macht iets van telefoonbereik te krijgen door zo hoog mogelijk in de lucht te reiken met zijn mobiel, maar nul. ‘Vergeet niet een selfie te maken,’ roep ik gierend van de lach. En van de zenuwen. Alweer een woeste blik.
We kletsen nog even over koetjes en kalfjes en ik bedank de mannen die van pure opluchting hun bel wijn in een teug naar binnen gooien. Ze zwaaien wel erg uitbundig terug. 

En ja. Dan weer naar beneden. Ietsjes meer gewend maar toch alles nog uitgesproken te hebben naar elkaar voor het geval dat, kruipen we de berg af. Ik prevel af en toe een opbeurend woord maar Pieter zit als een bevroren pop achter het stuur: opperste concentratie. Pas onder aan de berg ontdooit hij.

We rijden rechtstreeks naar ‘ons’ strand, bestellen grote glazen wijn bij onze getatoeëerde en bekettingde man en eten samen met familie mus een salade met door de Portugese mama zelfgemaakte humus. We kunnen niet meer stoppen met lachen. De spanning loopt als een ballon leeg over mijn wangen.

Het doorgeefboek

Het boek dat ik las: Camino van Graeme Simsion & Anne Buist

Of het toeval is of niet, dit boek wordt steeds doorgegeven tijdens retraites. Het zit zo. Dit boek was van Lucia, zij las het op een yoga-retreat in Malaga. Zij gaf het aan Corien die meedeed aan mijn schrijf- & yogaweek op Madeira. Toen zij het uit had gelezen, kreeg ik hem.

Met een voorwaarde.

Als ik hem uit had, gaat hij naar een andere lezer, die hem vervolgens weer geeft aan…. je snapt hem al. Een doorgeefboek!

Over het boek.

Een vermakelijk boek dat gemakkelijk leest. Geen diepgaande, tot nadenken geschreven stukken, maar vrij luchtige kost. In mijn ogen dan. Ik las hem in het vliegtuig en daarna in de trein naar huis. Prima lectuur om mee te reizen, met humor (af en toe wat flauw) en de zo herkenbare beslommeringen van het leven. Natuurlijk is er de worsteling, de verliefdheid en de go of no go. Waar ik het meest van genoten heb zijn de beschrijvingen van de natuur, de gekste overnachtingsplekken met hun vaak eigenzinnige eigenaren.

Of ik hem zelf zou hebben uitgezocht? Nee. Maar dat is nu het verrassende. Ik vond hem de moeite waard om te lezen, juist omdat ik het boek kreeg van iemand die hem interessant genoeg vond. Een doorgeefluik van inspiratie dus.

En dat is nu net dat extraatje boven de andere manieren van het doorgeven van boeken, zoals de kleine bibliotheekkastjes over de hele wereld. Daar staan ze gewoon te wachten tot je hem wel of niet meeneemt. Of een boek leggen in de trein, zonder dat je weet van wie het komt. Zit er een klein briefje in, dan wordt het al wat spannender…Bij het doorgeven op deze persoonlijke manier reikt iemand jou het boek, met een verhaal daarbij. Juist die ontmoeting maakt het veel leuker!

Mensen ontdekken vaak de verwantschap met elkaar doordat ze van dezelfde boeken houden. -Samuel Smiles-

Ik juich trouwens alle vormen van het doorgeven van boeken luidruchtig toe. Lezen verrijkt echt je leven, is mijn mening. Verdwijnen in verhalen, in een andere wereld. En voor schrijvers is het al helemaal een must. Voor het uitbreiden van de woordenschat en het onderzoeken naar verschillende stijlen, vormen en tijden. 

(Misschien ben ik niet het prototype gemiddelde lezer. Ik houd van zware kost overgoten met weemoed, tranentrekkende ontroering, akelige blootstellingen, kwetsbare uiteenzettingen en tot overpeinzing dwingende schrijfsels. Waar je af en toe je boek neer moet leggen om een uur na te denken over wat je net gelezen hebt. Doe mij de filosofische uitspattingen, bloemrijke zinnen en de woordenschat verhogende taal. De laagjes-boeken, zeg maar. Ik weet het: daarbij ben ik in de verre minderheid ; ).

Een doorgeefboek verbindt. Is duurzaam. Zet aan tot lezen. Biedt stof tot nadenken en is een makkelijke brug naar eigen verhalen. Zo’n boek deelt overkoepelende interesses. Maakt het leven een stukje mooier. Een boek doorgeven brengt en geeft dankbaarheid.


Alleen handbagage. Geen koffer-gezeul.

Waarom ik altijd licht reis

Al reis ik een maand, meer dan 10 kilo bagage in totaal gaat er niet mee. In een koffertje die als handbagage mee gaat prop ik alles, met als uitdaging de weegschaal op precies 10 kilo uit te laten komen.

Waarom nou toch? De belangrijkste reden is dat ik écht niet meer nodig heb.

Want nog steeds kom ik met kledingstukken terug die ik niet heb gedragen, serieus. De meeste kilo’s in mijn handbagage zijn mijn fotocamera + telelens, mijn Macbook en een filmcameraatje met 100 attributen (die ik overigens nooit gebruik, maar-je-weet-maar-nooit. Gaan de volgende keer ook niet meer mee). Dan rest nog een toilettas en wat kleding, een klein rugzakje voor de wandelingen en that’s it.

Nee, ik hoef niet 17 jurkjes, 4 broeken, 8 T-shirts en 21 onderbroeken mee. Zes paar schoenen. In hemelsnaam, waarom? Ik doe mijn zwaarste broek en wandelschoenen aan. Een paar laagjes shirts, een trui daarover en dan nog een jas en een sjaal. Even zweten geblazen, maar dat is maar heel kort. Zodra je de lopende band hebt overleefd, pak je al die laagjes gewoon in je koffer. De kilo’s doen er dan niet meer toe.

Dus neem ik 1 extra lange broek mee, 2 korte broeken en 4 T-shirts. Een paar onderbroeken, bikini en bh’s, een kek jurkje die je kan verfrommelen en in een slipper drukken, want mijn Birkenstocks gaan wel mee natuurlijk. Nu had ik nog zat ruimte en een pond over voor een paar sneakers, dus die ook maar, voor de leuk.

‘Een paar keer stopte ik mijn laptop achter in mijn broek en al mijn andere spullen in mijn zakken en bh. Vlak voordat mijn koffertje gewogen werd en ik wist dat hij te zwaar was. Ik zag er uit als een zwaarbepakte rugzak denk ik, maar ik kwam er door heen. Alles voor alleen maar handbagage mee. ‘

En dan was ik gewoon elke dag mijn kleding. Dat wat ik gedragen heb. Heel makkelijk, overal is wel shampoo of doucheschuim te vinden. In een teil, de wasbak of wat dan ook lekker even laten weken (is wel nodig soms, vooral na een hete dag….), uitspoelen en ophangen maar. Overmorgen kan je alles weer aan. Hoppa.

Je ijdelheid thuislaten

In een doorzichtige toilettas alleen maar spullen tot 50 ml. Meer kun je niet meenemen. Haarspray? Nee dus. Parfum? Nope. Ik doe een haarband in mijn haar en spuit in een drogisterij wel een lekker geurtje op, af en toe. Easy. Je nagelknipper en –vijl worden ingenomen, dus thuis laten. Kartonvijltjes worden het. En ja, tandpasta in een kleine tube, net als je zonnebrand- en al je andere crèmes. Meer dan genoeg voor een maand.

Nee, je moet niet echt ijdel zijn. Elke dag er heel erg leuk uit willen zien. Pumps aan naar dat hippe restaurantje. Gestreken en gesteven kleding aan willen, of een spierwitte outfit om je bruine vel goed te showen. Een föhn is niet overal aanwezig en een krultang al helemaal niet. En die gaan uiteraard niet mee in ’t koffertje. Geen ruimte voor. Ijdelheid en licht reizen gaan niet samen.

Licht reizen heeft zo veel voordelen. Ik check altijd een dag voor die tijd online in, ik hoef dus nooit in die ellenlange rijen staan om mijn hutkoffer van 100 kilo in te checken. Ik loop direct door naar de douane en binnen een kwartier ben ik bij de gate.

Aangekomen op het vliegveld van bestemming staat de meute een uur te wachten tot die verrekte loopband een keer begint te draaien en dan maar duwen met de ellebogen om je koffers van de band te sleuren. Daarna einden zeulen met die veel te zware krengen.

Mijn knalroze koffertje danst als een Marieke achter mij aan als ik langs de wachtende zuchters loop, rechtstreeks naar de uitgang. Er is alleen maar lichtheid, in alle opzichten. Mijn koffertje en ik.

Wanneer de hutkoffers na uren bezweet en chagrijnig op bestemming zijn, heb ik al een paar rondjes gezwommen. Of mijn eerst cocktailtje weggewerkt. Me geïnstalleerd in de zon. Niet in een cocktailjurk echter. Of met hoge hakken. Wel in bikini. Die weegt een ons.